Geplaatst door: 
CeesWierden
Verhaal

Adellijke rechten ter discussie

Auteur: 
C. Hoogendijk

Na de val van Napoleon en het verdwijnen van de Fransen kreeg Koning Willem I (1772-1843), de zoon van Stadhouder Willem V, het in de Vereenigde Nederlanden voor het zeggen. De overheid spande zich binnen de nieuw gevormde staat in om de volkswelvaart op een hoger peil te brengen. Daarnaast bemoeide zij zich ook met het kerkelijke leven; er werden in 1815 zelfs ministeriële departementen voor de Eredienst (een niet-katholieke en een katholieke!) ingesteld en een Zondagswet uitgevaardigd. Deze overheidsbemoeienis zou uiteindelijk uitlopen op twee bewegingen: Afscheiding en Doleantie.

(Dit artikel is eerder gepubliceerd in 'De Dorpskerk van Wierden" (2007), een gezamenlijke publicatie van de Historische Kring Wederden en de Stichting Bedehuizen Overijssel en Flevoland)

Tot aan 1824 werd vanuit zowel Almelo, Vriezenveen als Wierden “geen woord van oppositie vernomen” tegen de in 1814 herboren collatierechten. Te Almelo bijvoorbeeld had de heer van Almelo zitting in het college van kerkvoogden. De Wierdense stilzwijgende instemming bleek echter schijn te zijn; na het overlijden van ds. Lindeman in 1825 bekende de kerkeraad opeens kleur en weigerde het door de heer van Almelo uitgebrachte beroep op een nieuwe predikant "kerkelijk te maken". Het beroep werd niet erkend. Integendeel. Er werd zelfs ten sterkste tegen geprotesteerd dat Adolph Frederik Lodewijk graaf van Rechteren Limpurg het "regt van collatie der Hervormde Kerk van Wierden" zou bezitten. De kerkeraad (daarbij gesteund door een zestigtal mannelijke gemeenteleden) wilde zelf overgaan "tot het doen vervullen van den predikantsplaats".

Aan het classicaal bestuur in Deventer werd een verzoekschrift gezonden om voor de kerk te Wierden bij de Koning "een vrij beroep" te bepleiten, los van het collatierecht. Aansluitend hierop schreef de graaf ook aan de classis, om zijn beklag te doen over de houding van de Wierdense kerkeraad. De geschriften werden doorgezonden naar de Staatsraad, directeur-generaal voor zaken der Hervormde Kerk. Deze wees vervolgens de Wierdense kerkeraad op de wettigheid van het collatierecht. De kerkeraad, bestaande uit H.H. Wolters, B. van Buuren, B. Waalderink en H.H. Koers, bleef echter weigeren het door de graaf uitgebrachte beroep ontvankelijk te verklaren en beschuldigde de heer van Almelo dat de uitoefening van het collatierecht “voor 1795 niets anders is geweest dan eene onwettige uitbreiding van het Heerlijk Recht van Almelo en Vriezenveen over deze boerschap Wierden, welke, ofschoon niet onder de Heerlijkheid Almelo en Vriezenveen behoorende, echter uit hoofde van de onmiddelijke aangrenzing aan dezelve in vroegere tijden genoodzaakt werd, om de Heeren van den Huize Almelo, die als toen magtige Heeren waren te moeten ontzien…”.

Naast een feitelijke onjuistheid in de beschuldiging (collatierecht was géén heerlijk recht) ging de kerkeraad wel erg gemakkelijk voorbij aan de praktijk die voor 1795 lange tijd zonder problemen gangbaar was geweest. De Directeur-Generaal van de Staatsraad had het in zijn brief treffend verwoord: “Dat de Heer van Almelo en Vriezenveen het regt van Collatie in de gemeente van Wierden steeds heeft uitgeoefend bijzonder ook in de beroeping van den laatst overleden predikant zonder dat hij daarin eenigen tegenstand ontmoet heeft”. In juli 1825 ging een brief naar de classis waarin zij werd verzocht te zorgen voor de voortgang in de waarneming van de dienst. De classis wist echter niet wat zij er mee doen moest, omdat "noch het Reglement op de vacatures en beroepingen, noch eenige kerkelijke wet of verordening iets bepaaldelijks voorschrijft wat er bij weigering van het kerkelijk maken van eener beroeping bij acte van collatie uitgebracht moet gebeuren".

Ook politieke kanalen werden bevaren: enkele gemeenteleden schreven een zogenaamd rekwest aan “Zijne Majesteit den Koning der Nederlanden, enz.” met het dringende verzoek om het “voormalig politiek Recht van Collatie” niet te herstellen. Enkele zinsnedes uit de brief aan de Koning: “Niet slechts de Kerkenraad Sire! Maar de geheele hervormde Gemeente van Wierden beklaagt zich over de onredelijke aanmatiging van hunne nabuur, den Heer van Almelo en Vriezenveen, om zich te bemoeijen met de huishoudelijke zaken hunner Kerk, waartoe hij in geene de minste betrekking staat, waarvan hij geen voordeel heeft en waaraan hij geen voordeel toebrengt”. Even verderop: “Het eenige, voor dien Heer denkbaar verlies, is blootelijk de eer om Collator van onze Gemeente te zijn; dan hieromtrend zij het aan de ondergeteekenden vergund aan te merken, dat tegen deze eer van eenen enkelen persoon, het Godsdienstig belang van eene geheele Gemeente overstaat, gelijk mede het Recht hetwelk aan ieder Kerkgenootschap onbetwistbaar toekomt, om zelve hunnen huishoudelijke zaken te regelen en te bestieren. Behalve dit alles, zoo vermeenen Rekwestranten, dat bij Uwer Majesteits Besluiten, alleenlijk die Collatie Rechten hersteld zijn, welke voor 1795 wettig verkregen en bezeten zijn geworden, terwijl zij (immers tot aan de productie eener constitutive titre) het daar voor houden, dat het Collatorschap door eenigen der voormalige Heeren van Almelo en Vriezenveen uitgeoefend, niets anders is geweest, dan eene willekeurige uitbreiding van hun Heerlijk recht, over eene naburige Boerschap, welke nimmer onder hunne heerlijkheid heeft behoord en nu nog niet is behoorende: - zoo dat dit gepretendeerd recht voor 1795 onwettig verkregen en bezeten geworden zijnde, niet geacht kan worden bij Uwer Majesteits besluiten te zijn hersteld.”

In november 1825 werd de classis opnieuw om optreden gevraagd. Bij dispositie (beschikking) van "Zijne Majesteit" van augustus 1826 werd de kerkeraad van Wierden tenslotte te kennen gegeven, dat men zich maar moest wenden tot de gewone rechter. In februari 1827 werd dit gedaan. In het vonnis dat de rechtbank in eerste aanleg te Almelo wees, was vermeld, dat het door de kerkeraad van Wierden betwiste collatierecht van de graaf als wettig moest worden erkend. In hoger beroep kwam het Hoog Gerechtshof te Den Haag tot een zelfde vonnis en deed het appèl van de kerkeraad in mei 1830 teniet. Na vijf jaren van strijd en onzekerheid kwam er zo een einde aan het geschil. Het gevolg was wel dat na zes jaren vacant zijn, pas in 1831 door de graaf - met instemming van de Wierdense kerkeraad - weer een predikant werd geapprobeerd (goedgekeurd). In de daarop volgende jaren is het opvallend hoe “goed” de hogere (kerkelijke) organen op de hoogte waren van de situatie in de gemeente. In 1873 vroeg de classis te Deventer per brief of er in de gemeente van Wierden nog collatierecht bestond! Vier jaar later stuurde het Ministerie van Financiën (afdeling erediensten) een soortgelijk verzoek aan de Wierdense kerkeraad “ten einde eenige statistieke opgaven aangaande het zoogenaamd particulier collatieregt bijeen te brengen”. Gezien de in Wierden bestaande weerstand tegen het collatierecht is het niet verwonderlijk dat dit laatste verzoek onbeantwoord in het archief verdween. Of de toenmalige heer van Almelo, Adolph Frederik graaf van Rechteren Limpurg (1827-1902), ook met soortgelijke verzoeken werd benaderd, is onbekend.

Reacties