Geplaatst door: 
Henk Poelarends
Verhaal

De Dunnewind, (1) een plaatsbepaling

Auteur: 
Henk Poelarends

Deze verhalen gaan over de familie Dunnewind, genoemd naar de boerderij “De Dunnewind” in Varsen. In de geschiedenis van de Dunnewind komen enkele zaken steeds weer terug. 1. De ligging van de boerderij op een rivierduin, daar waar de rivieren de Vecht en de Regge bij elkaar komen. 2. De strijd tegen het water. 3. Het boerenleven op de grens van duinzand en de natte grond van de Larinkmars. 4. Het bestaan op een pachtboerderij in bezit van aanzienlijke families.

Erve DUNNEWIND, een plaatsbepaling

Op het topografische kaartje is duidelijk te zien waar de boerderij staat die de DUNNEWIND wordt genoemd. Opvallend dicht aan de Vecht, maar erg ver van Varsen. Al in 1694 wordt de boerderij met deze naam genoemd in de “Kohier van het zoutgeld” (een lijst met te betalen belasting) van Varsen. Op dat moment woont “Asse op den Dunnewint”.  Het lijkt vreemd  dat de Dunnewind op de lijst van Varsen voorkomt, want doordat de boerderij aan de andere kant van de Vecht is gelegen, zou het eigenlijk bij de buurtschap Giethmen of Besthmen moeten behoren. Maar dat blijkt niet zo, want de Larinksmars waarin de Dunnewind is gelegen hoort bij Varsen, en pas de overzijde van de Regge hoort bij Giethmen.

kaartje 1

Op dit eerste kaartje is de situatie van rond 1830 in kaart gebracht. De Vecht stroomt in die tijd dicht langs Varsen. De Regge stroomt ten zuiden van de Dunnewind in de Vecht. Erve Dunnewind ligt precies op de hoek en wordt met een smalle strook land aan het Laar verbonden. Het gebied tussen de Regge en de Vecht  behoort voor het grootste gedeelte aan de Dunnewind.  In 1712 wordt de Dunnewind ook Strampe genoemd. Een Strampe is een soort hooivork, een stok uitlopend op twee uiteinden. De Dunnewind ligt dus precies tussen de vorken (rivieren) in. Het gebied bestaat in die tijd uit hooiland, heide, hakhout en stukjes bouwland. Aan de noordkant van de Vecht heeft de Dunnewind nog 10 ha hooiland en 27 ha heide.

Tussen de Vecht en de Regge loopt een weg van Vilsteren naar Ommen. Dit wordt een zomerweg genoemd; de weg is in de rest van het jaar onbegaanbaar vanwege de hoge waterstanden van beide rivieren. Het erf lag dus erg geïsoleerd en men zal veelvuldig van een bootje gebruik hebben moeten maken. De situatie van toen, toen zowel de Vecht als de Regge nog wilde rivieren waren, is niet te vergelijken met de situatie van nu.

kaartje 2.

Dit kaartje toont de situatie zoals deze nu is. We zien dat de grote bocht van de Vecht langs Varsen is afgesneden. De Regge mondt nu een kilometer oostelijk van de Dunnewind in de Vecht uit. De gro­te bocht is een dode rivierarm geworden. De Dunnewind ligt nu aan de noordkant van de Vecht. De verbindingen met Besthmen  en het Laar zijn verbroken. Via de dode arm is er wel een verbinding naar Varsen.

kaartje 3

Het had trouwens weinig gescheeld of de Dunnewind had voor altijd aan de overkant van de Vecht gelegen. In de oudheidskamer van Hardenberg hangt een kaart waarop staat aangegeven hoe men de bevaarbaarheid van de Vecht wilde verbeteren. De Vecht telde eeuwenlang talrijke bochten waardoor het water in zijn stroom belemmerd werd. Jaarlijkse overstromingen waren het gevolg. Rond 1900 worden zestig  bochten afgesneden, waaronder deze bij Varsen.  Op het kaartje is duidelijk te zien hoe  de loop van de rivier zou worden en de gevolgen voor de Dunnewind. Tenslotte blijft het nog een raadsel waarom een groot gedeelte van de Larinkmars  en dus ook de Dunnewind bij Varsen hoort.

Kaartje 4

Kaartje 4 geeft een mogelijke oplossing. Zoals bekend overstroomde de Vecht vroeger vaak. Wanneer het water zakte, zocht de stroom meestal zijn oude bedding, maar niet altijd.  Ook zorgden de mensen zelf wel eens voor een overstroming, doordat ze de rivier afdamden in een tijd van droogte.

Het is niet onwaarschijnlijk dat de Vecht vroeger ten zuiden van de Dunnewind stroomde zoals kaartje 4 aangeeft. Dit zou ook de reden kunnen zijn waarom de Larinkmars bij Varsen behoorde. De Vecht stroomde precies daar waar nu nog de Markegrens van Varsen en Besthmen ligt. De verandering van de bedding zou dan plaats gevonden moeten hebben net nadat de Marke van Varsen ontstaan is. De bedding van de rivier veranderde, maar de Markegrens beleef bestaan.  Abraham de Haen zegt in 1753, over de plek van het Oude Laar ( een al lang verdwenen kasteel) : "Wat het oude Laer aangaet; 't zelve wordt gemeenlijk het Laer van Nijbrugge bijgenaemd, gelegen zijnde ter plaetze alwaer de Regge zijne wateren in de rivier de Vecht uitloost nabij de Nijbrugge “. En dat past bij het vierde kaartje

De Marke Varsen

Eeuwenlang is er al bewoning geweest op de verhoogde gedeelten langs de Vecht. Rond de Dunnewind heeft men voorwerpen gevonden van bewoners die eeuwen voor het begin van onze jaartellingen gebruik maakten van deze natuurlijke hoogtes.

In de middeleeuwen kwamen er steeds meer boeren die een bedrijf begonnen in het gebied tussen de rivier de Vecht en de veengebieden ten noorden van Varsen, die zich uitstrekten tot ver in Drenthe. Ze legden hun akkers aan op de hogere zandgronden, daar verbouwden ze hun rogge, haver en knollen. Dat werden esgronden genoemd.  De akkers hadden geen zichtbare perceelscheidingen, hooguit een greppel of een aantal stenen bepaalde waar  het stukje grond van een boer begon.  Op de marsen langs de Vecht, de laaggelegen gronden bestaande uit moeras en rivierduinen, lieten ze hun schapen en koeien lopen. Ook werd het gras op de mars gebruikt als hooi. Het veen werd gebruikt voor turf en voor plaggen. De boerderijen werden aan de rand van de esgrond gebouwd. Wanneer je naar de verhouding tussen bebouwde akkers en veengrond kijkt, is er weinig bouwland en heel veel veen. En het bouwland dat er is, is arm en weinig vruchtbaar.

Om het beheer van de woeste gronden langs de Vecht en in de veengebieden vorm te geven ontstond er een Marke. Rond 1400 wordt voor het eerst van de Marke Varsen gesproken. Waarschijnlijk stonden er toen al 16 boerderijen, die naast het bezit van een stuk eigen grond ook een deel kregen in de onverdeelde woeste gronden. De meeste boeren waren niet zelf eigenaar van de boerderij, maar pachtten deze van rijke personen; rijke Zwolse patriciërs en soms kasteelheren. Deze bezitters werden erfgenamen genoemd, de pachters meijers.  Deze mensen hadden de boerderijen in eigendom waarop de meiers / pachters het werk deden. Elke eigenaar kon aanspraak maken op een gedeelte van de onverdeelde markegronden, de heide voor de schapen, het veen voor de turf, het hakhout enz. Bij de dood van de eigenaar kwam zijn bezit vaak in handen van familie/ erfopvolging. Soms werd door aankoop of huwelijk het eigendom vergroot. Ook de Dunnewind is heel lang in handen geweest van mensen uit de gegoede stand.

Het leven als pachtboer op de Dunnewind zal tussen 1684 en 1840 niet veel veranderd zijn. Er zat weinig ontwikkeling in; de manier van leven en de werkmethodes veranderden nauwelijks.  De boerderij bracht meestal voldoende op voor een gezin om van te leven. Kinderen moesten elders hun toekomst zoeken. Men leerde leven van wat de boerderij opbracht en daar moest men dagelijks veel en zwaar werk voor verzetten.  Men was afhankelijk van het weer, het water en de wind.  Soms zorgde het water ervoor dat men helemaal op zichzelf was aangewezen zoals op onderstaande foto te zien is. 

bron foto: Cultuur Historische Atlas van de Vecht ( een prachtig boek om te lezen en door te bladeren)

Reacties