Geplaatst door: 
CeesWierden
Verhaal

De Reformatie in Wierden

Auteur: 
C. Hoogendijk

De Dorpskerk te Wierden kent een lange geschiedenis. Wierden is in 1236 waarschijnlijk een zelfstandige parochie geworden door de afsplitsing van de parochie Ootmarsum, die oorspronkelijk heel noordoost Twente omvatte. De kerk was gewijd aan St. Johannes de Doper. De Reformatie zou daar echter verandering in gaan brengen. Maarten Luther, die aan de basis van deze Reformatie stond, publiceerde in 1517 in het Duitse Wittenberg zijn beroemde 95 stellingen tegen de aflaat die veel reacties zouden losmaken. Toen Luthers’ vlugschriften over Twente werden verspreid, konden de eerste “reformatorische ritselingen in Twente” in 1521 in het klooster van Albergen worden gehoord.

(Dit artikel is eerder gepubliceerd in 'De Dorpskerk van Wierden" (2007), een gezamenlijke publicatie van de Historische Kring Wederden en de Stichting Bedehuizen Overijssel en Flevoland)

In 1544 ging het net over de grens liggende Graafschap Bentheim onder leiding van graaf Arnold I zu Bentheim over tot de Reformatie en werd luthers. In de Nederlanden was de beeldenstorm (1566) het eerste zichtbare bewijs dat er een “nieuwe wind” ging waaien. Het gezag van de Rooms-Katholieke Kerk was zeer verzwakt en de economische macht van de kloosters wekte afgunst en kritiek. Terwijl de beeldenstorm aan Overijssel voorbijging, werden elders veel rooms-katholieke kerkelijke versierselen door aanhangers van de nieuwe leer vernield.

De Tachtigjarige Oorlog (1568–1648) leek de opmars van de Reformatie nog even te vertragen, maar verhinderde de invoering van het calvinisme in Twente uiteindelijk niet. Te Wierden diende in 1580 al een pastoor die de Augsburgse confessie was toegedaan (de uit Riesenbeck - Duitsland - afkomstige Johannes Niehoff) en vanuit Deventer werd vanaf 1597 de reformatie van het Overijsselse platteland krachtig ter hand genomen. De kerkenraad van Deventer stelde in 1598 ds. Bernard Stedemeyer aan als Gereformeerd predikant van Rijssen en droeg hem tegelijkertijd op om ook te Wierden het Evangelie te preken en zodoende te trachten een gereformeerde gemeente te vormen; blijkbaar bezat eerdergenoemde Niehoff onvoldoende potentie om over te gaan tot de gewenste leer.

Stedemeijer is net als bijna al zijn Twentse collega’s - vanwege het oprukkende Spaanse leger in november 1598 - slechts zeer kort in zijn werkgebied actief geweest; de predikanten trokken zich terug in Deventer. In datzelfde jaar was pastoor Niehoff door de Vrouwe van Almelo (Agnes van Westerholt, een rooms-katholieke vrouw) voorgedragen voor "examinatie" door de classis Deventer om op deze wijze te laten onderzoeken of hij tot de gereformeerde religie over zou gaan en dientengevolge te Wierden kon worden (blijven) aangesteld. Trompetter concludeert in zijn boek “Leven aan de rand van de Republiek” dat het voor de hand ligt te veronderstellen dat Agnes liever de zittende pastoors binnen haar invloedssfeer handhaafde, dan een door de classis voorgedragen kandidaat te benoemen.

Drie jaar later – de veiligheidssituatie in Twente was inmiddels weer gunstig genoeg - moesten alle Twentse pastoors voor de classicale vergadering van Oldenzaal verschijnen om te kiezen tussen “Gereformeerd worden” of “de pastorie verlaten”. De Wierdense pastoor (Pijlsmidt) kwam niet opdagen, terwijl de pastoor van Borne (Niehoff; oud-pastoor van Wierden) een halfslachtige verklaring aflegde: hij was bereid om over te gaan tot de nieuwe leer, maar had ook bedenkingen, met name omtrent het Heilig Avondmaal. Volgens Röring (in: “Kerkelijk en wereldlijk Twente”) is het vanaf 1602 ds. Winand Gerrits (Winandus Geradi) geweest die als Rijssens predikant Wierden moest bedienen, “wordende die van Wierden gelast den predikant iederen Zondag met een wagen van Rijssen te halen en weer terug te brengen”.

De classis Deventer zat niet stil en ondervroeg naar aanleiding van de uitkomst van de Nationale Synode van Dordrecht de zittende priesters op hun sympathieën om ze eventueel te vervangen door rechtzinniger predikanten; de classis zag rond 1619 kans om de drost zover te krijgen dat hij zowel Johannes Niehoff, op dat moment luthers pastoor te Borne, als zijn plaatsvervanger afzette. Op 8 september 1626 namen de Staten van Overijssel het besluit dat de gereformeerden bij overlijden van de pastoor een gereformeerde leraar moesten benoemen en dat men er op moest toezien dat alle altaren, beelden en biechtstoelen werden verwijderd.

Enkele maanden daarvoor was te Wierden de zoon van pastoor Niehoff, ds. Abraham Nijhoff, reeds aangesteld als gereformeerd predikant en behoorde de kerk te Wierden officieel tot het calvinisme. De classis stimuleerde de overgang naar het calvinisme door het afkondigen van verregaande voorschriften aangaande leer en leven. Het zou nog 20 jaar duren voordat de Wierdense gelederen zich sloten. Pas in 1645 waren de schilderingen in de kerk overgewit en een jaar later twee ouderlingen (Jan en Henrick Jansen) en een diaken (Jan Lemphers) aangesteld.

De rooms-katholieke Röring over deze overgang naar het calvinisme: "Het slechte voorbeeld van Jan Nijhof heeft wel velen in Wierden tot afval gebracht, maar het aantal katholieken is er toch nog steeds van beteekenis gebleven." De kerkelijke gemeente Wierden kwam te ressorteren onder de gereformeerde classis Oldenzaal, hetgeen slechts enkele jaren (tot 1638) zou duren. Vanaf dat moment maakte Wierden onderdeel uit van de “publieke” Gereformeerde Kerk en behoorde zij tot de classis Deventer.

*Titelfoto: L. Wessels

Reacties