Geplaatst door: 
CeesWierden
Verhaal

De wereldlijke invloed van de heer van Almelo op Wierden

Auteur: 
C. Hoogendijk

Vóór het jaar 1795 bestond de Provincie Overijssel uit de drostambten Twente, Salland en Vollenhove. De door de Staten van de provincie aangewezen drost had een grote macht in zijn ambtsgebied. Zo niet in Stad en Ambt Almelo en Vriezenveen! In dit gebied, de "Vrije Heerlijkheid van Almelo, had de heer van Almelo het grotendeels voor het zeggen en bezat hij de volledige juridische en bestuurlijke macht. Daarnaast bezat hij de zogenaamde “heerlijke rechten”, zoals het recht van wind en water, het jachtrecht en het visrecht. Ook op kerkelijk terrein had de heer van Almelo grote zeggenschap; hij had het zogenaamde collatierecht dat onderdeel uitmaakte van het patronaatsrecht. Dit recht was verkregen omdat door hem gronden werden afgestaan voor en geld werd geschonken ten behoeve van de bouw van kerken.

Dit artikel is eerder gepubliceerd in 'De Dorpskerk van Wierden" (2007), een gezamenlijke publicatie van de Historische Kring Wederden en de Stichting Bedehuizen Overijssel en Flevoland)

Hoewel slechts een klein gedeelte van Wierden (een moeras) in de Vrije Heerlijkheid lag, viel kerkelijk Wierden toch onder het patronaatsrecht, omdat er (blijkbaar) vanuit Almelo in enige vorm was bijgedragen aan de bouw van de Wierdense kerk. Ter Kuile schrijft dat de heer van Almelo in 1445 “patroon der kerk te Wederden” is. Waarschijnlijk oefenden hij en zijn opvolgers ook het collatorschap uit, maar de eerste die zich ook zo noemt was Agnes van Westerholt, collatrix van Wierden. Zij heeft, samen met de man waar ze omstreeks 1575 mee hertrouwde (Rutger Torck), het collatierecht van kerk en vicariën te Wierden uitgeoefend van (waarschijnlijk) 1556 tot 1607. Wie vervolgens dit recht heeft gekregen is niet geheel duidelijk.

Johan van Rechteren (heer van Almelo sinds 1616) legde in 1618 de eed op de gereformeerde religie af en werd op 2 juni 1620 als patronaatsheer van de kerken in zijn heerlijkheid (Almelo en Vriezenveen) bevestigd door Ridderschap en Steden. In 1621 legde hij de eed af dat de koning en de aartshertogen de gemeenschappelijke vijanden waren, waarmee hij tevens zijn afkeer voor de papistische religie betuigde. Bij de benoeming van de eerste gereformeerde predikant te Wierden (Abraham Nijhoff) in 1626 had deze Johan van Rechteren volgens de betreffende acte van beroeping een “aanbevelende” en “goedkeurende” rol terwijl de koster van Wierden rond die tijd een brief schrijft aan de heer van Almelo en hem als “collator van kerk en kosterij van Wierden” aanduidt. Verder noemt Johan van Rechteren zichzelf in 1627 ook “collator” hetgeen qua volgtijdelijkheid niet lijkt te stroken met de opmerking van jonker Rutger David de Reijger, die zegt dat het recht van collatie en het erfelijk markerichterschap van Wierden door Van Langen tot de Dakhorst in 1656 zou zijn verkocht aan Zeger van Rechteren (zoon van Johan).

Hoe het ook zij, vanaf 1656 kan redelijk veilig aangenomen worden dat de heer van Almelo als "unicus collator" het recht had om bij een vacature in Wierden een nieuwe gereformeerde predikant te benoemen.  Het patronaats- en collatierecht werd echter niet overal klakkeloos aanvaard. Als voorbeeld mag Vriezenveen dienen, alwaar de kerkeraad rond 1659, gesteund door de classis, grote bezwaren had tegen het collatierecht van de heer van Almelo. De onenigheid werd uiteindelijk door de Overijsselse Staten in het nadeel van de kerkeraad beslist. Wanneer de Wierdense collator na het overlijden van ds. Abraham Nijhoff in 1667 voor het eerst “in actie moet komen” valt het op dat enkele lidmaten van de kerk te Wierden een verzoek richten aan de heer van Almelo “om aanstelling van Joachim Liens tot nieuwe predikant van Wierden”. Waarom de lidmaten tot deze actie kwamen en hoeveel gewicht hun verzoek in de schaal legde, is onbekend. Het collatierecht beperkte zich niet alleen tot het beroepen van predikanten, maar betrof normaliter ook de benoeming van ouderlingen en diakenen en verdere kerkelijke medewerkers. Hoe de correspondentie tussen kerkeraad en de heer van Almelo kon verlopen blijkt uit navolgende brief d.d. 15 april 1711:

“Alzo door het overlijden van wijlen den Eerwaarde en God vruchtigen Dominee: Gerhardus Nijhoff, onzen getrouwen herder en leraar, de heilige kerkendienst in onze gemeente te Wyrden vacant is, en het de Graaf van Rechteren, vrijheer van Almelo enz. enz. enz. als collator onzer kerk beliefd heeft ons tot een herder en leraar wederom te stellen en toe te zenden de persoon van Dominee Joahimus Adolphus Nijhoff, candidaat onder akte van 15 April 1711, zo is het dat wij, ouderlingen en diakonen der voorgeschrevene gemeente te Wyrden bij gunstige concessie en toelating van voorgenoemde heer in de naam van de ganse gemeente erkennen en verklaren gemelde Dominee J.A. Nijhoff op wel gemelde aanstelling en beroeping als onze herder en leraar aan te nemen om onder ons het woord Gods zuiverlijk te bedienen en wat verder een getrouw dienaar van Gods gemeente toestaat te doen.

Verzoeken wij dan, met behoorlijke eerbied mits dezen, dat zijn Hoog Graaflijke Excellentie hetselve believe nader te approberen en te confirmeren.”

Bij de beroeping van proponent Adolph Hendrik Nijhoff in 1753 was de heer van Almelo - “unicus collator en patroon der Kerk en Pastorie te Wierden” – absent. Volgens het schrijven van de classis Deventer liet hij zich vertegenwoordigen door zijn jongere broer Johan Lodewijk des Heiligen Roomsen Rijksgraaf van Rechteren (1714-1762) “sijne saken op desselfs versoek en authorizatie waarnemende en daarbij sijnde versekert van den Kerkenraad van Wierden dat de beroepene Ad. Hend. Nijhoff haar sonderling aangenaam is”.

De heer van Almelo maakte zijn besluiten veelal bekend via de zogenaamde “kerkespraken”, die soms vanaf de kansel werden afgekondigd, maar later in de regel bij de uitgang van de dienst door de koster werden bekendgesteld. Een voorbeeld van (een concept van) zo’n “publicatie” van de heer van Almelo, in dit geval van Adolf Philip Zeger des Heiligen Roomsen Rijksgraaf van Rechteren (1699–1771), gaat over het gedrag van de Wierdense jeugd:

Ik ondergeschreven als Patron ende Collator der Kerke en Pastorie van Wierden in ervaringe gekoomen zijnde dat door sommige van de baldadige jeugd die op het kerkhof niet alleen ten tijde van de Gods dienst als ook andere dagen door het speelen op dezelve tegen alle ordre en wel voornamentlijk met het insmiten van de Glaasen en het schenden van de Kerke ten hoogsten zig in deezen komen schuldig te maken. Zo is het dat ik darin willende voorzien een jegelik der jngesetenen wel serieuselik komen te warschouwen dat bij als een haere Kinderen en minderjarige onder de voegddiesschap tegenswordeg nog staen. Dat de ouders en voegden van dezelve zig in hare plaats daar middelen regtens ter plaatse daar het behoort door mij ondergeschreven zullen werden geconsfenieerd.

Actum (gedaan; CH) op Den Huijze Almelo 21 febr 1767.

Dat de heer van Almelo meer dan alleen bestuurlijke invloed had, bewijst de presentatie in 1769 van een offerte van de Almelose leidekker Hendrik Groen, die de “reparasij an de Wierdense kerk” op maar liefst 1.300 gulden begroot. Voor dit geld zou de kerk met zowel nieuwe als gebruikte leien gedekt worden en het ligt voor de hand te veronderstellen dat de collator een flinke duit in het zakje heeft gedaan. In ieder geval betaalde de heer in 1768 een rekening van 100 gulden aan ene Jan ter Horst voor hout en spijkers “tot reparatie en dienst van de kerk van Wierden”.

Voorts had de heer van Almelo het oppertoezicht op de kerkgebouwen en tot in de 19e eeuw het (gedeeltelijke) beheer van de kerkelijke administratie. Op een gegeven moment moest de collator - ingevolge Artikel 36 van het Reglement op de administratie der kerkelijke fondsen enz. - de administratie van kerkelijke goederen aan kerkvoogden en notabelen overdragen. Eerst weigerde hij om hieraan te voldoen, maar op 5 december 1823 deed hij toch afstand van een aantal stukken, nadat hij een jaar eerder aan het Provinciaal College van Toezicht nog had verzocht of de kerkelijke administratie te Wierden “op den ouden voet moge verblijven, of dat de Heer Rekestrant moge worden benoemd als permanente President bij het Kollegie van Kerkvoogden aldaar”.

Toen de Fransen in 1795 ons land binnen trokken en de oude Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden instortte, veranderde er veel aan de machtspositie van de adel. Kerk en staat werden formeel gescheiden, de adel verloor zijn bijzondere voorrechten en alle heerlijke rechten en tienden werden in 1798 afgeschaft. Dit leidde te Almelo tot een openlijke twist tussen de collatrix en de door de revolutionaire burgerij benoemde kerkmeester met als inzet de gravenbank in de Grote kerk. Na de bevrijding van de Franse overheersing in 1813 zou echter weer een gedeeltelijk herstel van de adellijke macht volgen, waaronder in 1814 het collatierecht.

De Wierdense rooms-katholieken, die aan het begin van de 17e eeuw hun kerkgebouw aan de gereformeerden waren kwijtgeraakt, hadden sinds die tijd min of meer moeten onderduiken, hoewel de heer van Almelo bekend stond om zijn verdraagzaamheid richting “anders-gezinden”. Dit in tegenstelling tot de gereformeerde classis, die bekend stond om het voortdurend uitoefenen van druk op niet-gereformeerden en op de wereldlijke overheid. Marsman zegt daarover in zijn boek “Katholiek Wierden door de eeuwen heen“: “Zoals overal na de hervorming moesten ook te Wierden de priesters in het geheim de Heilige Missen lezen”. Twee eeuwen later keerde het tij echter! In 1796 kwam de vrijheid van eredienst en de rooms-katholieke koning van Holland, Lodewijk Napoleon, stelde in 1808 middels wet alle religies gelijk. Prompt richtten de rooms-katholieke kerkmeesters van Wierden een verzoek aan de koning om “regt van aanspraak op de voorz. Kerspelkerk, Pastorijhuijs en daaronder hoorende goederen en opkomsten te dienen.” Toen Lodewijk Napoleon in 1809 met zijn minister van Binnenlandse Zaken en Eredienst Twente bezocht, kwam deze kwestie uiteraard aan de orde. De koning oordeelde dat waar de katholieken in de meerderheid waren, de kerken weer aan de katholieken zouden behoren. Waar de protestanten in de meerderheid waren, mochten die de kerk houden. Zo behielden de Wierdense protestanten (81% van de bevolking) de “Groote of Kerspelskerk” en moesten de rooms-katholieken een nieuw kerkgebouw bouwen; de koning zegde hen zelfs subsidie toe. Uiteindelijk werd in 1818 een eigen kerkgebouw betrokken dat tot 1848 in gebruik zou zijn. Ondanks het herstel van het collatierecht in 1814 blijkt nergens meer enige bemoeienis van de collator in Almelo met de Wierdense rooms-katholieken.

In het totaaloverzicht zijn de (gereformeerde/hervormde) Wierdense collatrix en collatoren uit het geslacht Van Rechteren (Limpurg) vanaf 1616 weergeven. Johan van Rechteren (geboren 1595) lijkt “slechts” een recommandator te zijn geweest. Na het overlijden van deze Johan van Rechteren in 1641 duurde het tot 1645 voordat de boedelscheiding tussen zijn zes kinderen plaatsvond. Zijn oudste zoon Zeger - in 1644 meerderjarig geworden – werd zijn opvolger en kreeg Almelo toegedeeld. Volgens eerdergenoemde jonker Rutger David de Reijger heeft deze Zeger van Rechteren het recht van collatie en het erfelijk markerichterschap van Wierden “in 1656 door koop van den doenmaligen heere Van Langen tot de Dakhorst hebbe aen sig gebracht” waarmee hij te Wierden dus de eerste protestantse collator uit het geslacht Van Rechteren (Limpurg) werd. Het collatorschap ging in het algemeen over van vader op zoon.

Voor wat betreft de situatie in Huize Almelo waren er echter twee uitzonderingen; het collatorschap van Zeger van Rechteren ging vanwege zijn kinderloosheid over op zijn neef(je) Adolf Hendrik en het collatorschap van Adolf Philip Zeger van Rechteren ging over op zijn dochter omdat zijn enige zoon op dat moment reeds was overleden. Vermeldenswaard is verder nog de erfopvolging van deze gravin (Sofia), die werd aangevochten door haar familie. Zij waren de mening toegedaan dat de heerlijkheid Almelo alleen via de mannelijke lijn kon vererven. Er volgde een jarenlange opvolgingsstrijd die uiteindelijk in 1793 in het voordeel van gravin Sofia uitpakte. Gedurende de opvolgingsperikelen trad de gravin wel op als vrouwe van Almelo. Ten tijde van de Franse overheersing (toen het collatierecht dus wettelijk gezien niet bestond) liet de gravin van zich horen door zich actief te bemoeien met de benoeming van een koster te Wierden.

Reacties

afbeelding van Ben Schoorlemmer
Interessant artikel. Het blijkt dat de invloed van de graven Van Rechteren veel verder reikte dan de regio Almelo. In 1757 liet een Graaf Van Rechteren een kapitale boerderij bouwen in Ittersum (nu Zwolle Zuid). De landerijen van deze boerderij, De Handschoen genaamd aan de Nieuwe Deventerweg, werd begin zeventiger jaren geannexeerd door de stad Zwolle. Deze historische Saksische boerderij werd in 1978 door de familie Schoorlemmer omgebouwd tot het huidige bekende Restaurant De Handschoen. Tot 2015 waren diverse Schoorlemmer generaties ononderbroken eigenaars van de Handschoen. Ben Schoorlemmer Cape Coral, FL USA