Geplaatst door: 
CeesWierden
Verhaal

Middeleeuwse kerk, toren en kerkhof te Wierden

Auteur: 
C. Hoogendijk

Het middeleeuwse kerkgebouw van Wierden was van oorsprong rooms-katholiek bezit. Volgens Van Lenthe (in: “Verslagen en mededelingen; 1952”) is er in 1433 een kerk in Wierden gesticht door één van de voorouders van de graven van Rechteren. Ook Ter Kuile sr. heeft het over ditzelfde jaartal: …..dat de heren van Almelo de rechtsopvolgers waren van die voorzaat, die in 1433 uit handen van de priester Lubbertus Woestehof diens plechtige gelofte verkreeg “dat he te Wederden sal wonnen (wonen) en selven bedienen de kercken van den kerspel van Wederden als een kerkher schuldig is to done”.

(Dit artikel is eerder gepubliceerd in 'De Dorpskerk van Wierden" (2007), een gezamenlijke publicatie van de Historische Kring Wederden en de Stichting Bedehuizen Overijssel en Flevoland)

Een vroeg bewijs van de aanwezigheid van een kerk is het huisarchief Almelo, waaruit blijkt dat er in 1521 drie klokken in de Wierdense toren hingen. Aangezien de leeftijd van de toren (en dus ook de kerk) een relatie met de leeftijd van de huidige kerkklok zou kunnen hebben, blijven we even bij het onderwerp kerkklok. Uit 1595 is een procesverbaal van eedsaflegging van ene Johan Bartehaar bekend, die verklaarde opdracht gekregen te hebben van enige ruiters onder kapitein Bernhardt, gelegerd te Zwolle, om de klok uit Wierden te halen. Of er naar aanleiding van deze opdracht ook daadwerkelijk een klok is weggehaald is niet bekend, maar in de 18e eeuw blijken er (nog) twee klokken in de Wierdense kerktoren te hangen; het huisarchief rept rond 1767 namelijk over “werkzaamheden aan de klok en klokkenstoel” en “worgels” voor de grote- en de kleine klok. Of de huidige klok, die door de Kamper klokkengieter Geert van Wou (±1450–1527) in 1495 werd vervaardigd, al vanaf het jaar van constructie in de Wierdense kerktoren hangt, is niet met zekerheid te zeggen maar het zou zeker mogelijk zijn aangezien een klok gewoonlijk aan de voet van de toren werd gegoten. De reden ligt voor de hand: het was gemakkelijker om de benodigde materialen in porties aan te voeren dan een complete (en loodzware) klok te vervoeren.

Hoewel het jaartal 1495 op zich geen bewijs vormt voor een exacte datering van de bouw van de toren, vermoedt dr. E.H. ter Kuile toch dat de toren omstreeks dat jaar is gebouwd. Aan deze middeleeuwse toren sluit nu de hervormde Dorpskerk aan, die in haar huidige vorm uit 1929 dateert. De oudst bekende kerk waarvan een afbeelding bestaat dateerde uit de middeleeuwen. Dit Gotische gebouw bestond uit een toren met een traptoren, een schip en een smaller, maar wat het muurwerk betreft, hoger koor. Toren en traptoren zijn waarschijnlijk gelijktijdig opgetrokken, want bij de vormgeving van de spitsboognis aan de zuidzijde van de tweede geleding is rekening gehouden met de aanwezigheid van een traptoren (de nis is namelijk maar voor de helft uitgevoerd). De bakstenen, uitwendig rechthoekige en inwendig nagenoeg vierkante toren, is volgens Ter Kuile opgetrokken met gebruikmaking van een oudere westgevel van de kerk die naar alle waarschijnlijkheid tevens de oostmuur van een vroegere (smallere) toren is geweest. Van de toren kan verder worden vermeld, dat de tweede geleding per vrijliggende gevel geleed is met één spitsbogige blindnis en dat de derde geleding aan iedere zijde doorbroken is met één galmgat (aan de oostzijde gedicht middels een luik). De traptoren is - in tegenstelling tot de toren - niet in geledingen verdeeld.

Het schip van de kerk moet dus van iets oudere datum zijn geweest dan toren en traptoren. Op zich is dat niets bijzonders, want een middeleeuwse kerk is in de regel in verschillende perioden gebouwd. De kerk zou dan als volgt tot stand zijn gekomen: eerst het schip, dan het koor en nog later de toren. De toren is nagenoeg volledig uit dikke rode baksteen opgetrokken en heeft boven het als portaal gebruikte gelijkvloerse gedeelte een kruisribgewelf gehad. Omdat de stenen gewelven in de Gotische tijd niet met gaten werden doorbroken moet men via een omweg een hogere verdieping bereiken, ofwel over een aparte tegen de toren aangebouwde traptoren. De traptoren heeft een rechthoekige plattegrond en dito doorsnede en wordt gedekt door een lessenaardak.

Volgens Van Dooren (in: “De Reformatie en de predikantenfamilie Nijhoff te Wierden”) is de kerktoren tijdens “de laatste overgrote droevige stormwind uit 1704/1705” omgewaaid. In de "Classis ordinaire Deventer" wordt dit incident als volgt omschreven: “Wierden 1705 D. Nijhof tot Wierden maakt bekend dat de toren is nedergestort en in de kerk geslagen waardoor de kerk in een ellendige staat is geraakt en de behulpzaamheid nodig heeft”. Gelet op de nog steeds zichtbare kleurverschillen aan de bovenzijde van de oostelijke derde geleding (zie foto op p. 14) is hoogstwaarschijnlijk niet de complete toren, maar “slechts” de spits omgewaaid. Opnieuw moest de gemeente grote financiële offers brengen; kerk en toren waren nog maar kortgeleden - in 1683 – opnieuw gedekt. Veelzeggend zijn ook de opmerkingen in het dagboek van Richter Hendrik Jan Bos (1706-1792), die op 10 augustus 1790 sprak over “de kosten van kerk en toren”, waarvoor “eenige schikkinge” gemaakt zijn. Markerichter D.J. Lamberts sprak op diezelfde vergadering van de Marke van Wierden en het Hooge Hexel – die tot 1810 over het algemeen in de Wierdense kerk werd gehouden - over “zware kosten” die de Marke “nog pas” had moeten maken voor de reparaties aan toren, kerk en pastorie en men daar het geld niet voor heeft.

De Wierdense doden werden tot 1824 zowel in als rondom de middeleeuwse kerk begraven. Een eerste vermelding over het kerkhof is te vinden in het archief van de classis, waaruit blijkt dat er in 1653 te Wierden (nog) kruisen staan op het kerkhof. Over het begraven in de kerk zijn in het Huisarchief Almelo een drietal vergunningen te vinden waarin de heer van Almelo expliciet toestemming verleent om in de kerk te mogen begraven. Gezien dit geringe aantal is het de vraag of voor elke begraving toestemming moest worden gevraagd of dat dit alleen gold voor graven op speciale plaatsen, zoals rondom de kansel. Landelijk kwamen er steeds meer bezwaren tegen het begraven in de kerk. Niet alleen het steeds openbreken van de kerkvloer bracht ongerief mee; ook waren de graven vaak overvol en stonden kerken in het algemeen bekend om hun “gedicideerde cadavereuse reuk”.

Vanaf 1829 werd een verbod op begraven in kerken van kracht, waardoor het zeer aannemelijk is dat in de nieuwe Wierdense kerk (Waterstaatsstijl, gebouwd in 1824) geen of slechts enkele doden zijn begraven. De stoffelijke resten werden in het vervolg alleen nog maar rondom het kerkgebouw begraven. Gelet op de kadastrale situatie destijds omsloot dit kerkhof waarschijnlijk de kerk geheel, hoewel het de vraag is of er aan de noordkant van de kerk ook begraven werd. De noordkant van kerken werd op sommige plaatsen beschouwd als “de plaats der duisternis” waar alleen zelfmoordenaars, ongedoopten en misdadigers werden begraven. Ook niet-hervormden werden rondom de kerk begraven. Het kerkhof wordt door de pastoor W. Oosterik – de eerste pastoor in Wierden na de Reformatie - in een inventaris van 1834 als volgt omschreven: “De kerkhof met de Protestanten om de Protestantsche kerk gelegen gemeen, omgrind en niet gesloten”. Vanaf 1848 werden hervormde overledenen tevens begraven op de Algemene Begraafplaats aan de huidige Appelhofstraat. De rooms-katholieken mochten vanaf 1854 hun doden begraven op het kerkhof naast de rooms-katholieke kerk.

Reacties