Geplaatst door: 
CeesWierden
Verhaal

Molukkers in Wierden: houten barakken in plaats van gouden paleizen

Auteur: 
Y. ten Brinke

Eeuwenlang werkten Molukkers zij aan zij met de Nederlandse kolonisator in Nederlands-Indië. Hierdoor genoten zij een voorkeursbehandeling en bescherming van de koloniale overheerser. Toen op 17 augustus 1945 de eenheidsstaat Indonesië uitgeroepen werd, keerde het gunstige tij voor de Molukkers.

Republik Maluku Selatan

Een aantal Molukse politici zag geen heil in een Indonesisch regiem en sloeg een andere weg in: die van het separatisme. Op 25 april werd de Republiek der Zuid-Molukken (Republik Maluku Selatan, RMS) wereldkundig gemaakt. Voor de Molukse militairen die dienden in het Koninklijk Nederlands-Indisch Leger (KNIL), had dit een geweldige impact op het verdere verloop van hun leven. Zij kregen even de status van de Koninklijke Landmacht (KL). En in 1951 weken 12.500 Molukkers noodgedwongen uit naar Nederland voor een tijdelijk verblijf. Eenmaal aangekomen in Nederland werden de militairen collectief uit militaire dienst ontslagen, zodat ze hun status en militaire identiteit kwijtraakten.

De Vossenbos

De Molukkers werden opgevangen in kazernes, kloosters en kampen (woonoorden). Ook in Wierden werden in juni 1951 ruim zeventig gezinnen ondergebracht in De Vossenbos, een barakkenkamp van de Dienst Uitvoering Werken (DUW). Dit voormalige arbeiderskamp aan de Hexelseweg dankte zijn naam aan het nabijgelegen landgoed 'Huize Den Vossenbosch'. Bij aankomst in Wierden schrokken de Molukkers. “We moesten slapen op stro en werden gewekt door middel van twee lepels die ze tegen elkaar sloegen. 's Ochtends kregen we pap, brood en koffie.” De gedachte dat Nederland een sprookjesland was, moest men laten varen. “Ik dacht dat we in 'tanah mas dan istana', 'een gouden land en paleizen', zouden wonen. Toen ik de barakken zag, schrok ik vreselijk, want zelfs de kazernes in Indonesië waren nog mooier. We sliepen in stapelbedden en zaten op klapstoelen. Die waren hard, je sarong scheurde. Het was koud en de afstanden naar het waslokaal, het kolenhok en de school waren lang.”

 

Zelfzorg

Al vrij snel begaven de Molukkers in Wierden zich op de arbeidsmarkt. In het kamp volgde velen een vakcursus of verrichtten seizoensarbeid. Officieel werd in 1956 het verzorgingsbeleid van de Nederlandse overheid gewijzigd in een zelfzorgregeling. Voortaan moesten de Molukkers zelf de kost verdienen. In heel Overijssel reden busjes langs de woonoorden om de Molukkers naar de fabrieken in de grotere steden te vervoeren. Veel Molukkers werkten in de Twentse textielfabrieken. De Blikemballagefarieken N.V. Thomassen en Drijver had bijvoorbeeld meer dan honderd werknemers uit de woonoorden De Vossenbos, Eerde en Laarbrug in dienst.

Molukse wijk

Eind jaren vijftig begreep de Nederlandse overheid dat de Molukkers niet konden terugkeren naar een vrije republiek der Zuid-Molukken en dat hun toekomst in Nederland lag. Om sociaal te overleven moest er betere huisvesting voor hen komen. De Molukkers gingen hiermee akkoord op voorwaarde dat zij als groep bij elkaar zouden blijven. Verspreid wonen was onaanvaardbaar. De Molukkers uit de Vossenbos verhuisden naar Nijverdal, Almelo, Wierden, Culemborg en Leerdam. In 1966 betrokken vijftig gezinnen uit De Vossenbos een Molukse nieuwbouwwijk aan de Jan Jansweg in Wierden. In 1967 kregen de bewoners een eigen kerkgebouw en kwamen er nog twaalf woningen bij voor gezinnen uit De Vossenbos. In 1996 werd er een mooi nieuw gebouw gerealiseerd, waar de stichting Kanjoli en de kerk onderdak vonden.

*Dit artikel is ooit geschreven voor de - uiteindelijk niet-gepubliceerde - Canon van Wierden

Reacties