Geplaatst door: 
bruis
Verhaal

Steenwijker Jan Hagels onder de knoet van De Noo

Auteur: 
Teun Smit

Het waren bepaald geen gezellige jongens, die Landwachters en zeker ook niet onder elkaar, zoals blijkt uit onderstaand stuk dat de Opregte Steenwijker Courant op 21-12-1945 aan haar lezers presenteerde.

Hetgeen hierin staat beschreven speelde zich af in het Zwolse Kringhuis van de NSB, Bloemendaalstraat nummer 11. Dat diende vooral later in de oorlog als hoofdvestiging van de Zwolse Landwacht. Baas De Noo en zijn ondergeschikte Eijkelkamp waren hier binnen de muren meedogenloze figuren die een gruwelijk schrikbewind uitvoerden. Ze hielden zichzelf aan hun eigen lijfspreuk die aan een wand hing: Weest hard. Dat ze niet alleen hard waren ten opzichte van arrestanten maar ook naar de ondergeschikten, daarvan getuigt onderstaande kameraadschappelijke brief gericht aan NSB-kringleider Pit in Steenwijk. Ook het Steenwijkerlandse territorium werd door het brute tweetal bestierd.

"De Steenwijker Landwacht

Een fraaie toestand!

Begin Mei kwamen wij in het bezit van een schrijven van den N.S.B.’er  J. de G. aan den kringleider P. K. Pit, met toestemming om dit geheel of gedeeltelijk te plaatsen. Het kwam op de redactie-tafel terecht, doch tot heden niet aan de beurt. Wij laten hier thans het voornaamste uit deze correspondentie volgen.

Zwolle, 20 Januari 1945.

Kameraad Pit.

Ingevolge ons telef. onderhoud van gisteren betreffende de slechte verhoudingen hier bij den Landwacht, waarbij de leiding, die vaak dronken is de revolvers leeg schieten in ’t wilde weg hetgeen levensgevaarlijk is, vooral als men de heeren niet aanstaat, want steeds komen hieruit vechtpartijen voort.

Zoo geschiedde het Donderdag 18 Januari toen we ’s morgens gewekt werden, hoorden we uit de kamer der Commandant Opperstormleider De Noo weer onophoudelijk schieten, de dronkemanstroep was weer den geheelen nacht aan het zuipen geweest, zoodat ze smoordronken zich vermaakten, met achter elkaar de revolvers leeg te schieten op eenig voorwerp of in ’t wilde weg, terwijl het onnoozele lachen en gebrul door het geheel gebouw klonk. Even later waren hoofdschaarleider N. met ondersch. I. B. bij ons in de slaapkamer gewikkeld in een gevecht op leven en dood, waarbij onze Steenwijker jongens met levensgevaar de vechtenden scheidden.

Kort na den middag even na terugkomst een stentorstem: „Wie heeft hier 5 flesschen snaps geklauwd?” Die had ik beloofd aan den Kommandeur. Geen antwoord natuurlijk. Bij onderzoek komen 3 flesschen tevoorschijn uit de verschillende bedden.

En nu wilden ze vanzelf weten wie die hadden achterover gedrukt, hetgeen ze pas ‘s avonds gelukte toen eenige kameraden door de mand vielen. Den volgenden dag werden nog andere kameraden ondervraagd en met klappen op hun hoofd bewerkt.

Ook ondergeteekende die er aan meegedaan had werd vernederend in het gezicht geslagen, let echter wel, pas nadat ik alles volledig had opgebiecht. Men heeft mij toch niet te slaan, met 2 man tegelijk terwijl 6 meerderen aanwezig waren, waartegen ik het moet afleggen en terwijl het slechts ging om het organiseeren van slechts 1 flesch, wat toch nog geen doodzonde is, vooral tegen lieden, die zulke voorbeelden geven; en als gezegd, nadat ik alles had verteld.

Het gaat nu hierom: moeten wij als Germaansche menschen ons in ’t gezicht laten slaan, dat druischt toch tegen alle begrippen van eer in, wij zijn toch geen slavenzielen, hoewel velen in onzen kring daarmee behept zijn, en het dulden willen.

Kam. Pit, die mentaliteit is toch met ons ideaal onvereenigbaar, laten we toch zorgen, dat onze menschen weer recht op hun voeten komen te staan en met het hoofd zoo hoog mogelijk, hetgeen toch ons streven altijd is geweest.

Op een kam.avond voor ongeveer 7 weken zuipen arrestanten, waaronder 1 jood mee! Is het niet ergerlijk, want onze jongens die op wacht stonden kregen bijna niets.

Hemeltergend; dan kun je je toch niet meer inhouden, daar is spreken plicht.

Gister komt Jan N. bij me, laat zijn schoenen zien, halverwege is de zool los van bovenstuk, de jongen moest op wacht. Schoenen krijg je niet, velen loopen op hun eenigste.

Vorige week op een nacht werd wild geschoten, met glaasjes door de zaal gegooid, De Noo stond boven op de piano.

Wij komen langzaam aan in het ongedierte te zitten, ieder scheukt en jeukt, onzindelijkheid; de dokter noemt het schurft, het is besmettelijk en toch laat men ons niet naar huis gaan om te verschoonen.

En dit alles door menschen die hun rangen niet verdiend hebben, maar allen even weinig weten van de dienst en blij zijn met hun baantje.

Kam. Pit, je weet wel, al deze dingen zetten kwaad bloed, vooral omdat er geen kameraadschap is en niet iedereen ziet, dat de Beweging geen schuld treft, toch zijn onze menschen ontevreden op de N. S. B.

Wil ons adviseeren en raad geven' en zoo mogelijk van deze misère verlossen.

Hou zee,

(w.g.) J. de G."

 

Dat verlossen zal wel gekomen zijn met de bevrijding en geraakten deze mannen in een andere misère. Dat gold zeker de heerschappen De Noo en Eijkelkamp. Van staatswege kreeg De Noo levenslang opgelegd en Eijkelkamp de kogel.

Reacties