Geplaatst door: 
CeesWierden
Verhaal

Zoektocht naar voedsel in de hongerwinter liep via Zwolle

Auteur: 
C. Hoogendijk

Dankzij een Amerikaanse met Nederlandse voorouders kreeg ik twee brieven van Johanna (Jopie) Hoogendijk (1918-2002) onder ogen. De brieven gaan enerzijds over een zoektocht naar voedsel op de fiets - tijdens de Tweede Wereldoorlog - en anderzijds over de sfeer kort na de bevrijding. Voor wat betreft de zoektocht naar voedsel fietsten de gezusters (Jopie en haar zus Giela) vanuit Capelle aan den IJssel (Zuid Holland) via Zwolle richting Schoonoord (Drente). De heenreis verliep niet geheel zonder slag of stoot, maar de zussen kwamen in ieder geval heelhuids aan. Nadat er eten was verzameld, gingen Jopie en Giela zo snel mogelijk weer terug naar huis.

Deze terugreis - die opnieuw over Zwolle ging - verliep minder voorspoedig. Hoewel de reis van begin tot eind is beschreven beperk ik me in dit artikel slechts tot de dagen dat de gezusters door de provincie Overijssel trokken. De tekst uit de brief is onverkort overgenomen (inclusief stijl- en spelfouten) maar omwille van de leesbaarheid zijn hier en daar wel leestekens toegevoegd. Verder zijn de geografische aanduidingen binnen Overijssel vetgedrukt en worden personen, die in dit verhaal een rol van betekenis spelen, middels een voetnoot toegelicht aan het eind van betreffende paragraaf. Onderstaande beschrijving begint in Apeldoorn (woensdag) en eindigt de daaropvolgende week in Nunspeet (dinsdag).

De gezusters waren op maandagmorgen uit Capelle a/d IJssel vertrokken en via Utrecht in Apeldoorn gearriveerd. In beide plaatsen hadden zij bij familie overnacht. Jopie fietste op de fiets van haar nicht met om beide wielen een tuinslang; Giela fietste op de fiets van haar vader met 1 luchtband en 1 massive band.

Woensdag (heenreis)

"Heerlijk uitgerust werden wij om 6 uur wakker. Wij hadden afgesproken om vroeg weg te gaan want wij willen Zwolle halen 50 KM. Wij kregen een lekker ontbijt, brood, boter en kaas. Je wist niet meer dat zulke luxe nog bestond. Dus vol moed stonden wij om kwart voor 7 weer klaar. Wij kregen een mooie asvaltweg tot Hattum toe langs een kanaal dat was 39 KM. En daar waren wij om 2 uur. Daar was ook een tentje wat open was, het eerste van de hele reis en daar hebben wij ons brood opgegeten. Wij konden daar ok surogaat thee kopen en wij weer opgeruimd verder. Nu gingen wij langs de IJssel op een hoge dijk waar geen huis te zien was. Alles was daar kapot gebombardeert. Giela zegt zo tegen mij, Joop, ik wist geen raad als hier eens Tommie’s kwamen. Langs de kant van de dijk lagen allemaal Moffen in mitralieur nesten en ik had de Tommie’s in de verte al gehoord maar wilde Giela niet bang maken. Ik ben niet zo bang van bombarderen, maar Giela was zo bang. Nu hoorde zij ze ook en gelijk begon ze zo hard te fietsen dat ik hals moeite had om ze bij te houden. Als wij maar bij die Moffen voorbij zijn riep ze. En die waren al die dingen aan het stellen. Sommige begonnen al te schieten. Als wij maar eenmaal over de IJsselbrug heen zijn dachten wij. En daar zijn wij midden op de brug komen me 8 Tommies uit de wolken te voorschijn. Het was om de brug te doen, ze doken er recht op af. Een ware hel brak los, kogels uit de lucht en kogels van de grond. Een vreselijke paniek brak los onder de menschen en dat waren er duizenden want het is daar ook de controlepost van de Hollandsche C.C.D.. Iedereen moet die brug passeeren als je uit en naar Drente gaat en die lui moeten alles wat de menschen uit Drente gehaald hebben controleren. Je mocht alleen maar aardappelen vervoeren en ook de Moffen staan daar om de mannen onder de 40 jaar op te pakken. Nu, dat schieten duurde ongeveer 5 minuten. Wij door die menigte heen een kleine zijweg ingeslagen en op eens zag ik Giela niet meer. De angst sloeg op mijn hart en gelijk zag een klein beetje blond haar uit een 1 mansgat (die zijn 10 M uit elkaar door de Moffen in de zijkant van de weg gemaakt) steken, ze lag te huilen en riep moeder, moeder. Ik stikte bijna maar hield me toch goed en sprak ze moed in zooveel ik kon. Alle menschen, vrouwen, kinderen en oudere mannen lagen in de modder te gillen, huilen, bidden en vloeken. Die vijf minuten duurde een eeuw. Een oude man trok mij ook op de grond en toen gingen ze weg 16 doden op de burg achterlatende, allemaal vrouwen die op eten uit gingen. Het was toch nog weinig in verhouding dat er zooveel menschen waren. Bevende zocht wij onze fietsen op en gingen maar een eindje lopen om van de schrik te bekomen. Wij zouden in Zwolle naar Cor Hofmann*, Corrie’s man, gaan. Die werkte daar. Hij had geschreven dat als er iemand van de familie naar Drente kwam ze bij hem wel slapen en eten konden en dat er ook wel aardappelen te koop waren. Nu nog een paar KM’s. In Zwolle hadden wij al gau het adres maar kregen te horen dat hij pas overgeplaatst was naar Lichtmis, 13 KM verder. Het was 6 uur dus dat ging wel maar net buiten Zwolle klapt Giela’s eenigste luchtband. Nu nergens kon die gemaakt worden dus wij zijn verder gefiets. Om kwart voor 8 stonden wij bij Cor Hofmann (te Lichtmis; CH), die lag met een heleboel arbeiders in de eenigste huizen die in de omtrek te kijk waren. Wij blij dat wij er dan toch eindelijk waren en daar verteld hij dat daar niemand slapen kan en ook geen aardappelen meer te koop waren. Wij moesten nu 50 KM verder zijn, zei hij. Ik vroeg of hij dan niet iemand wist, waar wij die nacht blijven konden. Nee, dat wist hij niet. Giela stond te huilen en bij mij stond het huilen ook nader als het lachen maar dat wilde ik hem niet laten merken. Ik groeten hem en hij was blij dat hij van ons af was want ging naar binnen. Daar stonde wij. In die tijd was het over 8 geworden, dus verboden om buiten te zijn. Geen huis in de omtrek te zien. De waterlanders kwamen bij mij ook te voorschijn, ik kon er niets aan doen. En daar liepen wij allebei te brullen. Maar na even mijn zenuwen gelucht te hebben heb ik Giela ook weer moed in gesproken en zei, het eerste huis wat wij zien ga ik naar toe. Na 10 minuten kwamen wij aan een net huisje en ik ging er op af. Giela liep nog aldoor te snikken en allerlij enge dingen op te noemen hoe wij die nacht door zouden brengen. Ben je mal, meid iedereen komt toch onder dak dus wij ook wel, maak je maar niet bang. Maar ik was er zelf nog niet zo zeker van. En toen ik aan de deur stond vroeg ik aan de vrouw die open deed een beetje drinken voor Giela en mij. Ik dorst niet te vragen of wij daar die nacht blijven mochten. Onderwijl kwamen er weer Tommies en die begonnen te bombarderen. Die vrouw vroeg of wij binnen kwamen en Giela begon weer te huilen, die zag er toch zo zielig uit. Ze was helemaal overspannen, ik kon het haast niet aanzien en de tranen liepen weer over mijn gezicht. Die vrouw had heel de toestand al overzien en lachte ons uit. Ze zei dat ze bij de deur al gezien had wat wij wilde. Doe jullie je goed maar af, dan zal ik een even een pan pap koken voor jullie, dan vergeet ik gelijk de Tommies. Als jullie dan uitgerust zijn kan je je in de keuken lekker wassen. En dan ga jij (tegen mij) even mee de bedden in orde brengen. Ze bemoederde ons zo fijn. Een half uur later zaten wij schoon en warm voor een heerlijk bord havermouth in de volle melk gekookt, dat hadden wij zeker in geen half jaar geproefd. Ze had een lief zoontje van 3 jaar die was al gau goeie maatjes met ons. Om tien uur kwam haar man thuis, die was fietsenmaker** en heeft Giela’s band er af gehaald want hij kon niet meer gemaakt worden. En toen naar bed. Zo gau wij het voelde sliepen we ook."

* Cor Hofmann was de man van Corrie Both,  een nichtje van Jopie en Giela.
** Betreft zeer waarschijnlijk de Rouveense fietsenmaker Piet Padberg (1894-xxxx) en zijn vrouw Gerritdina Schraa (±1908-1958). Het kan echter ook nog zijn dat het om een broer van Piet ging, namelijk Sander Padberg (1897-1958) en Grietje van Oosten (1905-1970). Laatstgenoemde woonde ten zuiden van de Lichtmis (ter hoogte van parkeerplaats De Markte aan de huidige A-28), werkte op een fietsenfabriek in Zwolle en deed er in de avonduren “het maken van fietsen” bij.

Donderdag (heenreis)

"Om half 7 uit de kooi en beneden stond er weer een bord vol havermouth op ons te wachten. Wat een verschil met bij ons. Juffrouw Padberg, zo heete onze gastvrou, vertelde ons dat ze iedere dag van de boer 4 liter melk kreeg. En wij hadden 3 maanden daarvoor 1 pakje magere melkpoeder op de bon gehad. En zo was het met alles, maar ze kon alles ook goed missen, als je zag hoe ze zich uitsloofde voor ons. Ze gaf ons ook nog een adres in Zweelo, dat was ruim 70 KM verder en na ons goed op ons hart gedrukt te hebben, dat wij in het vervolg een beetje brutaler moeten zijn, en dat wij terug weer aan moesten komen, zwaaide zij ons gedag. We waren nog geen ½ uur onderweg of mijn tuinslang was doorgesleten. Hij hing als een paling achter aan mijn fiets. Ik hem er af getrokken maar er zat nog een schroef in die ik er niet uit kon krijgen. Wij gelopen tot het eerste dorpje en daar heeft de smid het er uit gehaald. Wij weer op de fiets en wat wonder, die fiets reed geweldig zonder band. Het ging als de mist. Mijn fiets ging nu harder als de van Giela. Toen ben ik op Giela’s fiets gegaan en om 10 uur waren wij al in Dedemsvaart 20 KM. Maar o wee, dat ging natuurlijk te mooi, want daat ging ook de voorste tuinslang er af. Gelukkig waren wij net in dat stadje, maar het duurde zo lang eer wij een fietsemaker hadden dat het 12 uur was. En toen moesten wij nog 1 uur wachten eer wij aan de beurt waren. Het moest, dus vooruit maar. In die tijd konden wij mooi een boterhammetje eten. Zoem, zoem, hoorde ik weer en jawel hoor, tikke tikke tik ging het al. De miteralieurkogels vlogen om ons heen. 50 M bij ons vandaan stond al een schip in brand en 10 stappen bij ons vandaan een gat in de straat. Het waren maar 3 Tommies, soms gingen ze rakelings langs het water, en dan weer recht omhoog. Toch waren wij nu niet zo geschrokken, daar went je ook weer aan. Onze fiets was om kwart over 1 klaar, nu helemaal op de vellingen, dat fietste nog lichter. Nu reed die fiets verre het beste. Om de beurt namen wij nu die fiets want Giela kon er niet aldoor op blijven, het was een akelig zadel en haar achterwerk was helemaal stuk. Ze fietste ook telkens een eind staande. Onderweg moesten wij nog een paar keer op de grond voor de Tommies. De kogels vielen als knikkers om je heen. Er gingen ook heel veel bommenwerpers over. Terwijl wij op de grond lagen telde ik er zo 500. Maar die gingen allemaal naar Berlijn. Het was prachtig weer, daarom was het ook zo druk in de air. Het was 6 uur toen wij in Koevorden aan kwamen 30 KM, dus dat was toch nog gau gegaan. Maar wat wij daar zagen was verschrikkelijk. Het was ’s morgens door de Tommies gebombardeert.*** De bedoeling was natuurlijk Deutsche stellingen maar overal waar wij voorbij gingen was alles kapot. Er waren veel doden en gewonden onder de burgers en de rook steeg uit de puin. En overal lag glas. Wij zijn er zo gau mogelijk voorbij gegaan en nog voor 8 uur stonden wij in Zweelo. Het adres hadden wij gau gevonden, het was een kruidenierswinkel. Er kwam een meisje voor en na het briefje, dat juffrouw Padberg ons gegeven had, gelezen te hebben mochten wij binnen komen. Daar waren 12 kinderen en nog 2 meisjes uit Rotterdam die waren daar geevacueert, dat, met vader en moeder met zijn 16 ne en die gingen net aan het avondeten. 2 stoelen erbij en in een wip zaten wij er tussen. Bruine boonen met spek. Ik kan me niet herinneren ooit zo lekker gegeten te hebben. Giela keek mij aan en ik haar en wij dachten beide aan thuis die misschien niets hadden. Dan schaam je je dat je zelf zo veel en zo heerlijk eet. Die avond brachtten wij gezellig door. Wij kregen geen gelegenheid om over thuis te denken, van alles werd ons gevraagd uit 15 verschillende monden. Die man lag ziek op bed. Om 11 uur gingen wij naar bed, Giela en ik fijn bij elkaar in een groot bed. Wij sliepen zo als rozen."

*** Deze waarneming maakt een betrouwbare datering van de brief mogelijk. Coevorden is in de oorlog zeker 13x gebombardeerd of beschoten en de enige donderdagen waarop dat tussen 1943 en het einde van oorlog gebeurde waren 6 januari 1944, 22 februari 1945 en 1 maart 1945. Op basis van de beschrijvingen van deze bombardementen lijkt 22 februari 1945 de meest waarschijnlijke dag te zijn geweest waarop Jopie en Giela Hoogendijk door Coevorden fietsten. Dat er een dag eerder een bombardement op Zwolle is geweest wordt door G.J. Zwanenburg bevestigd. Diezelfde Zwanenburg maakt ook melding van het feit dat 22 februari 1945 een drukke vliegdag was waarbij maar liefst 511 bommenwerpers en 2137 jagers het luchtruim kozen voor missies in de noordelijke sector. De waarneming van 500 vliegtuigen door Jopie lijkt dus zeker niet overdreven.

De gezusters reisden de volgende dag direct door naar Schoonoord en bleven daar slechts één nacht. Op zaterdagmorgen stapten zij alweer op de fiets om aan de thuisreis te beginnen.

Maandag (terugreis)

"Wij zijn pas om 8 uur opgestaan en hebben die vrouw even geholpen de boel aan kant maken en stonden om ½ 10 gereed om weg te gaan. Onder de bedrijven door hebben wij voor die 2 borstels van Tante Ka nog 2 pond spek gehad van die vrouw. Ze hebben daar bijna allemaal een varken in de kuip. Nu zouden wij nog 30 KM moeten, dan waren wij in Lichtmis bij Juffrouw Padberg. Dus dat konden wij makkelijk halen. Maar het regende nog en nu de wind opzij, dus telkens waaide de fietsen om als er zoon rukwind kwam. Kon je het niet houden. Daar werd je toch zo moe van. Maar nu kwamen wij weer in de drukte van andere trekkers. Dat was wel beter, je voelde de wind niet zo erg en je voelde je ook niet zo ellendig en eenzaam. Je denkt, wat al die andere menschen kunnen, zouden wij dat niet kunnen? En je krijgt weer moed. Maar toch liep je in een soort verdoving in de rij. Mijn wiel ging zo raar doen en jawel hoor, in Dedemsvaart kwam er een kronkel in het achterwiel. Daar hebben wij overal naar een ander wiel lopen vragen maar geen wiel te koop. Toen heb ik maar tegen een schuur alles er afgedaan en op Giela’s fiets gepakt. En één zak aardappelen op het stuur gelegen en één tussen de trappers. En daar ook gelijk ons brood gegeten en maar weer verder. Giela met de hobbelde bobbel fiets en ik met die volgeladen fiets. Dat viel niet mee maar het moest. De lucht klaarde een beetje op en de regen hield op en zoo waar, even later kwam de zon door. De stoom kwam uit onze natte mantels. Maar dat ging weer te mooi, want nog geen 10 KM verder zakte ook het achterwiel van die andere fiets in elkaar. Gelukkig namen wij het niet erg zwaar op en onder zenuwachtige lachbuien van ons allebij heb ik alles weer verdeeld en over de sturen en tussen de trappers gelegen. Nu moest Giela noodgedwongen ook een zware last torsen. Het was ook erg lastig lopen met de zakken tussen de trappers, je moest helemaal krom lopen, je armen en rug was geen gevoel meer in en nu gingen de fiets telkens voorover omdat alles voorop lag. Om de haverklap vielen die zakken er af en wij deden niets anders als lachen. Zoo kwamen wij om 6 uur bij Juffrouw Padberg aan. Daar hebben wij ons fijn gewassen en de wonden goed verzorgd. Wij moesten alles vertellen. Ze zei dat ze ons niet terug kon, zo zagen wij er uit. Ze had zo met ons te doen, het was zoon goed mens. Het was net of het je eigen Moeder was. Wij kregen weer een bord vol pap en voor wij naar bed gingen nog een paar boterhammen met boter. He, als ze dat nu thuis eens wisten dat je bij zulke goeie menschen was. En ik had er alles wel voor over gehad als ze bij ons thuis ook zo voldaan naar bed konden gaan. Als je daar aan denk krijg je weer een brok in je keel. ’s Avonds op bed kwam ze ons nog even lekker instoppen en de tranen stonden in haar oogen. Gaan jullie nu maar gau lekker slapen hoor, dan kan je morgen vroeg op. Zooveel te gauwer zijn jullie thuis. Haar man heeft onze wielen weer in orde gemaakt."

Dinsdag (terugreis)

Wij vroeg op en gau onze fietsen goed opgeladen. Om door de controle te komen hebben wij de 2 grootste zakken genomen, daar een beetje aardappelen onderin gedaan, toen de zakjes rogge erop, aan de zijkanten en boven op ook weer aardappelen. Ze zag je er niets van. Het was prachtig gecamefleert, stijf dicht gebonden. Dat spek en dat worstje heb ik tussen mijn kleren gedaan. Daar hebben wij nog om gelachen. Ik had ineens zoon flink voorkomen. Het was moeilijk om hier afscheid te nemen, zo waren wij al aan die vrouw gehecht. Met tranen langs haar wangen zei ze ons gedag. En wij vol angst en beven op de controle af. Om 10 uur waren wij er en moesten daar wachten. Weer duizende menschen. Langzaam ging het in de rij vooruit. Toen wij bij die post kwamen zonk mijn moed dat wij er goed door heen zouden komen in mijn kapotte schoenen. Ze stonden daar met groote pennen om door de zakken heen te steken. Er werd zoo veel afgepakt. Zou nu toch al onze moeite voor niks geweest zijn. Net voor mij werd van een oude vrouw 2 p boonen afgepakt. Nu was het mijn beurt. Ik kneep mijn ogen dicht. Voordat ik het goed en wel wist zei een aardige jongen tegen mij dat ik door kon. Die stond aan de andere kant. Hij voelde gewoon aan de zak en gaf mij een knipoogje. Nu Giela nog. Even omkijken, ja, dezelfde controleur en wij waren er door. Wat een opluchting was dat. En gelukkig niets in de lucht. Zo waren wij om 1 uur op de Zwolsche IJsselbrug. We waren er net een eindje voorbij en zaten langs de weg te eten toen zag ik opeens Oome Gijs tussen de menschen lopen. Ik riep hem. Hij kwam pas eergisteren van huis en wisten zo van hem dat thuis alles nog in orde was. He, weer een pak van je hart. Wij moesten gelijk huilen. Oome Gijs vroeg of wij geen eten voor hun (hij was met zijn broer) hadden. Ze hadden sinds gisterenmiddag niet gegeten. Wij hadden ook niet meer. Een half brood en het was van thuis nog. Het was al een paar keer natgeregend en wij moesten er ook mee doen tot wij thuis waren. Nou vooruit, wij zijn er nu toch ook wel gau. En hij moest er nog op uit om iets te kopen en daar ging ons laatste brood in 2 hongerige magen. Wij weer door, telkens gingen die zakken eraf. En maar sjouwen. Dood en doodop kwamen wij ’s avonds net voor 8 uur in Nunspeet aan. Wij zijn die kant heengegaan omdat het korter was als over Apeldoorn. En dat konden wij lopende toch ook niet halen op 1 dag. In Nunspeet was een Rode Kruis post, een school en daar zouden wij kunnen slapen. Onze fietsen konden wij stallen en toen wij in dat school kwamen kregen wij een bord bietensoep voor 1 Gulden. En daar werden wij naar een lokaal gestuurd om de nacht door te brengen. Het was er stikdonker en stinken, vreselijk. De grond lag vol stroo en daar lagen ongeveer 50 menschen op en door elkaar. Moeten wij daar tussen Joop. Ik zei maar niets en werd zo ziek en akelig van die weeie lucht. Ik vond een hoekje bij het open raam en zei dat wij daar maar bleven staan. Leun jij maar tegen mij aan. Je hoorde daar van alles, maar zag niets. Kinderen huilden en vrouwen snikten. En andere weer schelden. Hé, je trapt mijn kop in elkaar. En: ga jij met je zweetjatten bij mijn neus vandaan. En: wie heeft er mijn tasch gestolen. Verschrikkelijke verhalen over menschen die onderweg van de honger doorgegaan waren en kinderen van 11 en 9 jaar die hun Moeder in een ziekenhuis achter hebben moeten laten. Er was ook een jongetje van 8 jaar, helemaal alleen. Er was ook nog een jongen die zijn Vader was onderweg doodgegaan en die lag op een wagen die had hij gewoon buiten laten staan daar. Ik werd hoe langer hoe zieker. Ik zei tegen Giela dat ze maar even alleen moest blijven, dan ging ik naar de W.C.. Daar stonden een 30 menschen in de rij te wachten. En stinken; stinken. En ik was zo naar. Ik liep daar te waggelen op mijn beenen. In de gang brande een klein lichtje. Vlak voor mijn voeten ging een vrouw zoo op de gang zitten, ze kon het niet langer houden zei ze tegen de portier die er bij kwam. Toen viel ik flauw. Ik heb nog tegen die portier gezegd dat mijn zusje alleen in lokaal 3 was maar dat weet ik zelf niet. Ik kwam bij in een hospitaal dat daar aan verbonden was. Ik kreeg een spuitje en nog iets om in te nemen en mijn eerste gedachten was, waar is Giela. En ze weet niet waar ik ben. Maar de Zuster stelde mij gerust en zei dat Giela wist waar ik was en dat ze niet ongerust gemaakt was. Ik had een bloeduitstorting gekregen. Ik had gelukkig zelf alles bij mij. En na even stil gelegen te hebben en verzorgt te zijn mocht ik weer naar Giela toe. Die had in doodangst gezeten en ik kon haast geen antwoord geven, zo naar werd ik weer. Toen zijn wij samen op de gang gaan staan tot ’s morgens. Door en door versteend van de kou."

Na Nunspeet vervolgden de gezusters hun reis via Amersfoort naar Utrecht. Daar kwamen ze uitgeput aan bij familie. Na een paar dagen uitgerust te hebben is Jopie uiteindelijk alleen doorgefietst richting Capelle aan den IJssel. De achtergebleven Giela is pas op maandag - met de bakfiets - in Utrecht opgehaald. Giela is nog 8 weken ziek geweest en Jopie heeft 4 maanden een zwerende voet gehad. Ze heeft sindsdien haar leven lang last gehad van haar rug.

*(Eerder gepubliceerd in de familieboeken "HOOGENDIJK. Wat hen zoal bezig hield" (Wierden, 2012) en "HOOGENDIJK. Invloedrijk Hollands geslacht" (Wierden, 2013) (BEPERKTE OPLAGE; UITVERKOCHT)

Reacties